OMG het beste artikel OOIT: waarom we zo overdrijven op social media

10 minuten lezen

Stel je voor: je spot een goede vriend op straat en vraagt hem hoe het gaat. Hij antwoordt dat alles ok is en hij net een uurtje heeft gejogd. Je knikt vriendelijk en denkt al aan doorlopen als hij vervolgt: ‘Ik hou van mijn leven. Mijn lichaam is een tempel. Ik voel me oprecht een gezegend mens.’ Waarschijnlijk speur je zijn gezicht af, op zoek naar een flinter ironie. Maar je vindt niets van dat. En dan blijven er twee opties over: deze man is high, of knettergek.

– Longread door Nienke Blokhuis

Hoewel dit soort jubelende opmerkingen in het echte leven nogal vreemd in de oren klinken, zijn ze op social media eerder regel dan uitzondering. Tref je een vrije loopband aan op de sportschool? #Blessed. In het zonnetje op de fiets naar het werk, of een avondje hersenloos Netflixen? #lovemylife. LOL is allang niet voldoende onder een lollig filmpje, LMAO (‘laugh my ass off’) of OMGHETBESTEOOIT is beter. Een beetje extra interpunctie doet ook wonderen: een punt achter ieder woord staat al jaren voor Het. Beste. Dramatische. Effect. Ever. In de Verenigde Staten gaan ze uiteraard een stap verder: ‘literally dying’ roepen ze daar als iets grappig wordt bedoeld. En daar kan uiteraard geen levende ziel nog overheen.

"OMG I'm dying!" 😐😐😐

A post shared by Jessica Anteby (@beigecardigan) on

Maar niet alleen de gebruiker, ook de media doen er aan mee. Denk aan koppen als ‘dit is het schattigste wat je ooit hebt gezien’ of ‘na deze video zal je leven nooit meer hetzelfde zijn’. Met iedere kop bekruipt de lezer steeds meer het idee dat hij de rest van zijn levensdagen een onvervulbare leegte zal ervaren als hij nu besluit dat bewuste artikel over te slaan. Nodeloos te melden dat het allemaal niet waar is. We schrijven dat we van de bank rollen van het lachen, terwijl we in het echt apathisch op diezelfde bank liggen. En na drie alinea’s van ‘Deze video heeft iemand zijn baan gekost’ weten we dat de desbetreffende persoon alweer is aangenomen. En voelen we ons allerminst gedesillusioneerd. Sterker nog: we halen de schouders op, scrollen door en klikken op de volgende holle frase.

Dat geschreeuw en gegil is curieus, maar gelukkig niet schadelijk. Het wordt pas akelig als het vuur de andere kant opslaat, naar het negatieve toe. Met dezelfde ijver waarmee we onze lachsalvo’s uittikken, knallen we er namelijk ook scheldwoorden uit. Bijvoorbeeld onder een artikel van Het Parool over de verkiezingen, waarin een Amsterdamse uitlegt waarom ze een gezichtje op haar stemformulier tekende in plaats van een hokje in te kleuren. Een actie die in de comments op weinig waardering kan rekenen: ‘domme gans’ noemt de één haar, ‘kansloos’ de ander, en ‘je zet je kindje gigantisch voor LUL’. Een stuk of wat lezers uiten hun verontwaardiging over dit verbale geweld, maar zij krijgen weinig bijval. De rest gaat door met aantijgingen waarvan het de vraag is of ze in het echte leven ook het daglicht hadden gezien.

Nu is al vaker geconstateerd dat we verbaal weinig maat kennen op social media, maar het blijft onduidelijk waarom we zo ver gaan, zowel in het positieve als het negatieve. De boodschap komt met een tandje minder toch ook wel over? Of zijn we inmiddels zo afgestompt dat we alleen steeds harder moeten schreeuwen om ons verhaal over te brengen?

In die drang om door te dringen tot de ander gaan we geregeld best ver.
Zó ver dat we van onszelf schrikken. 

Allereerst is het natuurlijk moeilijk om maat te houden in een omgeving waar iedereen luid is. We willen immers allemaal gehoord worden, en wie schreeuwt, weet in ieder geval zeker dat zijn boodschap bij anderen aankomt. ‘Over het algemeen willen we dat de ander ons begrijpt, ons écht hoort’ vult Onno Hansen aan. Hij is deskundige op het gebied van online identiteit en communicatie. ‘Je ziet het ook wel eens als mensen de weg willen uitleggen aan een toerist. Als ze het idee hebben dat de ander hen niet begrijpt, gaan ze harder praten.’ Maar dan nog is het de vraag waarom we met deze communicatiestijl begonnen zijn. Volgens Hansen heeft het alles met onze bubbels te maken. ‘We verzamelen mensen om ons heen die net zo denken als wij. Zo creeëren we echokamers. Treffen we iemand die anders is, dan reageren we heel erg defensief; soms zien we ze zelfs als troll. Dat defensieve uit zich in die overdrijving. Het is onze manier om onze bubbel te beschermen.’ Dat is duidelijk te zien in het voorbeeld van Het Parool. De mensen die haar zwart maakten, laten daarmee zien dat zij zich van haar distantiëren: zij stemden wél.

Volgens Hansen verklaart de bubbel ook waarom we over-the-top aardig kunnen zijn op social media. ‘Dat doen we vooral met mensen die wel in onze bubbel zitten. Doen zij iets waarmee zij bevestigen dat ze tot onze groep behoren, dan overdrijven wij onze waardering met hartjes en lachsalvo’s. Daarmee laten we zien: wat hebben we het toch geweldig met elkaar.’ Terwijl het natuurlijk allerminst gezellig wordt met al die groepvorming. De overdrijving benadrukt de polarisatie: het sluit je dieper in, weg van andersdenkenden -of trapt je met een ferme schop nog verder de groep uit.

Overdrijven is ook een vak

Onze neiging tot overdrijven heeft ook een praktische oorzaak. We zijn immers beperkt als we ons zegje willen doen. Op Twitter hebben we maar 140 tekens en dus moeten we snel to the point komen. Op Facebook is er weliswaar meer ruimte, maar delen we de comment-sectie met duizenden anderen. Als jouw boodschap niet snel zijn doel bereikt verdwijn je in een dropdown menu en ziet niemand meer wat je te zeggen had. Er is geen tijd voor nuance en wolligheden: de boodschap moet kraakhelder en direct zijn. En dat geldt niet alleen voor een scherpe comment onder een nieuwsbericht, ook bij vrienden en familie willen we indruk maken met ons commentaar. Je ziet het geregeld bij een slecht nieuws-posts, waaronder Facebookvrienden steevast over elkaar heen buitelen met hun sterkte-wensen, de één nog warmer en persoonlijker geformuleerd dan de ander. Ongetwijfeld allemaal uit een goed hart, maar ook met de hoop de verdrietige vriend in een woud van steunbetuigingen écht te bereiken -en als het even kan, te raken.

In die drang om door te dringen tot de ander gaan we geregeld best ver. Zó ver dat we van onszelf schrikken. Het verhaal van de Amerikaanse journaliste Lindy West is hier een schrijnend voorbeeld van. Na haar opiniestuk over vrouwonvriendelijke grappen in standup comedy werd ze op social media overladen met scheldkanonnades en bedreigingen. Ze was het gewend, het deed haar weinig, totdat ze een gemene tweet kreeg van iemand die zich Paul West noemde: dezelfde naam als haar vader die anderhalf jaar daarvoor overleden was. Blijkbaar zat bij iemand de haat voor Lindy West zó diep, dat hij de moeite had genomen haar achtergrond uit te zoeken en vervolgens een Twitteraccount en mailadressen op naam van haar vader aan te maken, compleet met foto en bio. West was, zacht uitgedrukt, ontzet, en besloot het voorval van zich af te schrijven.

Het onvoorstelbare gebeurde: de desbetreffende troll mailde West en bood zijn excuses aan. Stomverbaasd zocht hierop West contact met haar pester om uit te zoeken wat hem ertoe zette haar zo te kwetsen. Haar zoektocht en hun telefoongesprek werden verwerkt tot een geweldige podcast voor This American Life.

Wie het gesprek terugluistert, hoort hoe de troll, wiens naam niet bekend wordt gemaakt, door het stof gaat. Hoe West hem open benadert en hij zich daardoor nog akeliger lijkt te voelen. Je hoort hem zuchten, naar woorden zoeken, steeds zijn excuses aanbieden. Hij legt uit waarom hij deed wat hij deed: hij vond zichzelf waardeloos, lelijk en dik -en was jaloers op West die haar volle lijf juist bespreekbaar maakt. Hij dacht niet na over de consequenties van zijn acties, totdat hij haar Jezebel-artikel onder ogen kreeg. ‘There is a living, breathing human being who is reading this shit.’ schreef hij haar vervolgens. ‘I am attacking someone who never harmed me in any way. And for no reason whatsoever.’

We doen ons best om een ander te raken met duizenden harten of venijn, maar nemen niet de tijd om af te wachten hoe die woorden bij die ander indalen. 

Zijn beweegredenen om te trollen kloppen met de bubbel-theorie van Hansen: West paste niet in zijn ideeën over het leven en dus ging hij vol in de aanval. Dat hij haar daarmee raakte, kwam in de eerste instantie niet in hem op. En op zich is dat niet zo vreemd. Overal om ons heen zien we mensen over-the-top communiceren en zelden zien we wat daar het effect van is. Zelf voelen we immers ook weinig als we langs al die gillende nieuwskoppen en comments in capslock scrollen. We doen ons best om een ander te raken met duizenden harten of venijn, maar nemen niet de tijd om af te wachten hoe die woorden bij die ander indalen. Waarschijnlijk omdat er alweer iets nieuws op ons afgevuurd wordt. ‘Het is treurig dat we zoveel informatie tot ons kunnen nemen, maar er niet meer van kunnen genieten’ merkt Hansen op. ‘We luisteren niet meer naar elkaar, omdat iedereen aan het schreeuwen is. Juist door die onhandigheid begrijpen we steeds minder van onze werkelijkheid.’

Poeh, dat is een flinke conclusie. Zijn we dan voorgoed opgegeven en afgestompt? Nee, zo erg is het niet. Er lijkt immers steeds meer behoefte aan focus te zijn: de populariteit van boeken als ‘Nooit meer te druk’ van Tony Crabbe en meditatie-apps zijn daar het bewijs van, net als de hang naar het Deense ‘hygge’, oftewel klein huiselijk geluk vanaf je bankstel. We lopen hard om ons hoofd leeg te maken en dagen elkaar uit met digitale detoxes. Ineens zijn er overal life coaches en workshops die ons middels inspirerende quotes vertellen waar het echt om draait. Die combinatie van schreeuwen en stil zijn levert online soms bizarre uitingen op. ‘Stop met stressen, leer NU van jezelf te houden!’ roepen de lifecoaches op hun profielpagina’s. En fijn, zo’n motto dat ons vertelt dat we het leven moeten vieren, maar na een dag vol stress voelt zo’n oproep allerminst als een advies, maar meer als een commando.

Dus?

Toch is het naïef om te denken dat de rush van spannende headlines en getroll met wat motto’s en mindfulness over zal gaan. Simpelweg omdat mensen nu eenmaal van reuring houden. En dat hoeft ook niet helemaal te veranderen; een gulden middenweg is prima. Vertaald naar social media uitingen betekent dat een tandje minder, of beter gezegd: ronduit melden wat iets écht met je doet.

Dus geen gerol van de bank van het lachen, geen gejank, geen hartstilstand na een lief filmpje. Als iets ok is, is het ok. Niets meer. ‘I never thought I’d say this, but I sort of miss “meh”,’ schreef Charlie Brooker, de maker van de populaire science fiction serie Black Mirror, twee jaar geleden al in een column in The Guardian. “Meh” used to be the standard internet response to anything even 1% less than astounding. Meh was obnoxious. (…) But it was infinitely more honest than pretending to cry.’

Liever oprecht middelmatig dus, dan geveinsd over-the-top. Bovendien wordt dan weer duidelijk wat écht belangrijk is, omdat alleen de belangrijkste posts of events een podium krijgen. Dat verheldert onze communicatie, omdat er weer ruimte is voor oprechte waardering en relativering. Geniet dus vooral van die vrije loopband, maar maak het online niet mooier dan het is. En bewaar ‘blessed’ voor de momenten die er echt om vragen.




Ook interessant


Send this to a friend